Datacenters tussen energie, ruimte en maatschappij
De rol van datacenters staat steeds vaker centraal in discussies over energie, ruimte en digitalisering. Tegelijk wordt duidelijk dat veel van deze vraagstukken alleen opgelost kunnen worden door samenwerking tussen sector, overheid en netbeheerders.
Tijdens het congres IT Infra, eind november 2025 in Den Bosch, sprak Rob Stevens, medeoprichter van Interconnect, over de uitdagingen die de datacentersector ondervindt. Naast technische problemen, zoals netcongestie, adresseerde hij ook het vaak negatieve imago dat datacenters hebben. Hij stelde dat veel discussies óver datacenters worden gevoerd zonder dat de relevante partijen echt met elkaar aan tafel zitten. Daarom riep Stevens op tot een dialoog.
Die oproep leidde ertoe, dat specialisten uit de sector in het hoofdkantoor van Interconnect met elkaar in discussie gingen en zowel uitdagingen als kansen benoemden in een uitgebreide en open dialoog.
Thema 1: Imago en maatschappelijke beeldvorming
Imago en maatschappelijke beeldvorming vormen het startpunt van het gesprek. Datacenters worden vaak bekeken door de bril van ruimtelijke impact en energieverbruik. Dat beeld wordt inmiddels aangevuld door een bredere maatschappelijke discussie over digitale autonomie, strategische afhankelijkheid en vitale infrastructuur. Die context zorgt ervoor dat de discussie over datacenters (iets) minder eendimensionaal wordt en ruimte krijgt voor nuance, zonder dat daarmee de bestaande zorgen overigens automatisch van tafel zijn. Tegen die achtergrond schetst Stevens het beeld dat in het publieke debat nog steeds dominant is: “Men spreekt en schrijft over lelijke grote dozen, watergebruikers en stroomslurpers.”
Stevens stelt dat dit beeld steeds minder aansluit bij de praktijk. Hij benadrukt dat datacenters als die van Interconnect vrijwel geen water gebruiken en plaatst het hoge stroomverbruik in verhouding tot de efficiëntiewinst die is geboekt ten opzichte van de tijd waarin ieder bedrijf zijn eigen serverruimte had, met overcapaciteit, inefficiënte koeling en lage benuttingsgraden.
Wat in het gesprek zichtbaar wordt, is dat het debat zich langzaam verplaatst van alleen impact naar functie. William Heesbeen, Lead Mechanical Engineer and GDL bij Haskoning, benoemt dat de maatschappelijke waardering achterblijft bij de realiteit: “Ik kan me enorm ergeren aan eenzijdige beeldvorming op social media. Die platforms draaien overigens op datacenters.”
Daarmee wijst hij op de paradox dat datacenters overal zijn, maar zelden als dagelijks noodzakelijke infrastructuur worden herkend. Later scherpt hij dat aan met de uitspraak: “Het eerste wat we zouden kunnen doen is een dag geen data beschikbaar te stellen.” Deze, uiteraard niet te realiseren onderbreking, zou een manier zijn om inzichtelijk te maken hoe afhankelijk zorg, bankieren, overheid en logistiek inmiddels zijn van de digitale infrastructuur.
Claudia Zwamborn, Marketing Manager bij Interconnect Services, vat die verschuiving samen door te benadrukken dat de kernvraag verandert: “Het gaat niet langer om hoe de sector zich verdedigt, maar hoe zij haar maatschappelijke rol helder en begrijpelijk uitlegt.” Het resultaat is geen radicale omslag, maar wel een voorzichtige herpositionering van datacenters in het publieke domein.
Thema 2: Energiegebruik en efficiëntie
Het gesprek over energiegebruik start vanuit de constatering dat datacenters onmiskenbaar grootverbruikers zijn. Stevens benoemt dat zonder omwegen: “Wij gebruiken heel veel stroom, maar we doen met dezelfde hoeveelheid veel meer dan zonder de efficiency van datacenters mogelijk zou zijn.”
De operationele kant van dat energiegebruik wordt ingebracht door Rob van Vrede, Head of Data Centres BNN bij Atos. Hij schetst hoe veranderende regelgeving direct ingrijpt op de dagelijkse praktijk. “Vroeger konden we tijdens generator-tests zonder problemen terugleveren aan het net, dat mag nu niet meer.” Volgens Van Vrede laat dit zien hoe operationele optimalisatie steeds vaker raakt aan systeemregels. Tegelijkertijd ziet hij binnen die grenzen nog wel technische mogelijkheden, zoals het inzetten van batterijen voor piekafvlakking, vergelijkbaar met toepassingen die hij bij ziekenhuizen heeft gezien.
Ook Florens van den Bosch, Managing Partner bij Venture Capital Mediation, blijft nadrukkelijk aan de technische kant van het verhaal. Hij introduceert thermische opslag met ijs als aanvullende optie binnen het bredere energiesysteem van datacenters. Hij positioneert dit niet als wonderoplossing, maar als een robuuste manier om koelpieken te verschuiven en de elektrische belasting te verlagen, met een lange levensduur en relatief lage milieudruk. Over het ijsopslagsysteem van Train zegt hij: “De warmte die in het datacenter weggezogen wordt, gaat naar die ijsbatterij toe; het water smelt een beetje en later maken we weer ijs. Daardoor heb je minder elektriciteit nodig op de momenten dat het net het zwaarst belast is.” De kracht van deze aanpak zit volgens Van den Bosch in voorspelbaarheid en duurzaamheid.
Het gesprek verdiept zich verder wanneer Stevens het energieverhaal terugbrengt tot de onderliggende fysica. “Meer dan 90 procent van de stroom die in een server gaat, wordt omgezet in warmte.” Daarmee maakt hij duidelijk dat energie-efficiëntie niet alleen draait om besparen, maar ook om het beheersen en eventueel benutten van restwarmte.
Heesbeen nuanceert dit beeld met zijn toelichting op PUE en seizoensinvloeden. “In de winter is warmteafvoer voor een datacenter relatief eenvoudig, terwijl juist in de zomer, wanneer koeling complexer is, de vraag naar warmte bij externe partijen laag is.” Efficiëntie blijkt daarmee geen vast gegeven, maar het resultaat van ontwerpkeuzes, locatie, klimaat en gebruik.
Vanuit gemeentelijk perspectief wijst Bob Prinsen, Senior Adviseur Energietransitie bij de gemeente Eindhoven, erop dat technische efficiëntie alleen waarde krijgt als zij ook voorspelbaar is. “Leveringszekerheid is belangrijk, en de mogelijkheid om daar uiteindelijk ook een lange termijn afspraak over te maken.” Daarmee maakt hij duidelijk dat datawarmte voor gemeenten geen incidentele reststroom is, maar alleen waarde krijgt als zij betrouwbaar en planbaar is.
Thema 3: Netcongestie en flexibiliteit
Waar het vorige thema zich richt op wat er binnen het datacenter technisch mogelijk is, verschuift de focus nu naar de vraag wat het energiesysteem toelaat. Netcongestie vormt daarbij een centraal, maar vaak verkeerd begrepen begrip. Omar Karimian, Strategisch Relatiemanager Branche en Vernieuwing bij Enexis Groep, zet dat scherp neer: “Het net zit niet altijd vol. Op enkele momenten in het jaar raken we de technische grens van het station. Dat laat zien dat we te maken hebben met piekbelasting binnen een groter, dynamisch energiesysteem, maar niet met een structurele blokkade.” Dat gebrek aan inzicht raakt direct aan investeringszekerheid, benadrukt Fridthjof Leerdam, projectleider verduurzaming werklocaties bij de gemeente ’s-Hertogenbosch. “Zonder inzicht in waar congestie optreedt en wanneer capaciteit beschikbaar komt, blijven lokale initiatieven stuurloos.” Hij ziet dat ondernemers plannen uitstellen doordat onduidelijk is wat het elektriciteitsnet aankan. Marcel van Helden, adviseur energietransitie bij de gemeente ’s-Hertogenbosch, plaatst de observatie van zijn collega Leerdam in een breder systeemperspectief. “We hebben de neiging om netcongestie te benaderen als een tijdelijk probleem dat we met slimme oplossingen kunnen overbruggen. Maar zolang vraaggroei, infrastructuur en besluitvorming niet synchroon lopen, blijven we werken met noodverbanden.”
Karimian licht dit verder toe: “De vraag is niet óf flexibiliteit helpt, maar waar het precies waarde toevoegt.” Flexibele middelen zoals batterijen, noodvoorzieningen en andere assets kunnen pieken dempen en tijdelijk ruimte creëren in het elektriciteitssysteem. Maar ze zijn geen structurele vervanging voor vaste transportcapaciteit. Vanuit die realiteit zien we blokstroom vooral als een tijdelijke mogelijkheid om het systeem te ontlasten, totdat structurele uitbreidingen beschikbaar zijn.” Blokstroom kan, volgens Karimian, zekerheid bieden binnen vooraf vastgestelde tijdvakken.
Stevens trekt die lijn door naar de kern van het datacenterbedrijf: “Zodra je aggregaten inzet om extra vermogen te creëren, lever je in op redundantie. Dan kun je klanten dus minder zekerheid bieden.” Betrouwbaarheid blijkt daarmee geen optimalisatieparameter, maar een harde randvoorwaarde. Tot slot wijst Heesbeen op de juridische grenzen. “In de praktijk zit je vast aan emissielimieten en vergunningseisen,” vooral in of nabij Natura 2000-gebieden. Netcongestie blijkt daarmee niet alleen een technisch vraagstuk, maar ook een juridische en bestuurlijke uitdaging.
Thema 4: Restwarmte en warmtenetten
Restwarmte wordt in het gesprek benaderd als serieuze kans, maar zonder romantiek. Heesbeen geeft aan dat moderne datacenters technisch vaak al zijn voorbereid op warmteafgifte. De complexiteit zit niet in het datacenter zelf, maar in de infrastructuur daarbuiten.
Prinsen bevestigt dit en wijst erop dat de grootste kosten zitten in leidingen, aansluitingen en organisatie, niet in de warmtebron. Gemeenten zien datawarmte als interessante aanvulling, maar lopen tegen praktische grenzen aan. Warmte moet worden opgewaardeerd met warmtepompen, wat extra elektriciteit vraagt en dus opnieuw raakt aan netcongestie. Van Vrede laat zien hoe locatie en seizoensvraag doorslaggevend zijn. Hij wil zijn warmte graag afzetten, maar er is geen warmtenet in de buurt en in de zomer is er nauwelijks vraag.
Het gesprek verdiept dit met een praktijkvoorbeeld waarin de warmtevraag langs een tracé groter bleek dan het aanbod van meerdere datacenters samen. Dat dwingt tot keuzes: welk deel van de vraag wil je met datawarmte dekken, en wat vul je aan met andere bronnen? Stevens benadrukt opnieuw dat de warmte fysiek beschikbaar is; de uitdaging zit in transport, timing en afname.
Thema 5: Regie, ruimte, locatie en menselijk kapitaal
In de slotfase van de discussie wordt duidelijk dat datacenters onderdeel zijn van een bredere transitie waarin digitalisering, energie en ruimte samenkomen. Zwamborn noemt het “een no-brainer” dat Europa, vanuit het oogpunt van digitale soevereiniteit, meer datacenters nodig heeft. Tegelijkertijd benadrukken gemeenten dat woningbouw, industrie en datacenters allemaal concurreren om dezelfde schaarse ruimte en netcapaciteit.
Prinsen maakt daarbij duidelijk waar de gemeentelijke rol begint en eindigt. “Wij bepalen niet wie een netaansluiting krijgt,” zegt hij, “maar we kunnen wel sturen via ruimtelijke ordening en gebiedsontwikkeling, zodat functies logisch landen.”
Vanuit de sector zelf waarschuwt Van den Bosch voor een te versmalde discussie. “Als je datacenters alleen benadert als grootverbruikers, doe je geen recht aan hun rol in de digitale economie,” stelt hij. “De vraag zou niet alleen moeten zijn hoeveel vermogen ze vragen, maar ook welke maatschappelijke en economische waarde ze toevoegen.”
Die bredere afweging vraagt volgens Van Helden om integrale energiesysteemanalyses, zoals die in Tilburg worden toegepast. “Door elektriciteit, warmte, gas en koude in samenhang te bekijken, ontstaat inzicht in waar structureel ruimte kan worden gecreëerd en waar grenzen onvermijdelijk zijn.” Heesbeen benadrukt dat die grenzen niet alleen technisch of economisch zijn, maar ook juridisch en ecologisch. “Locatiekeuzes kun je niet los zien van vergunningen, milieunormen en stikstofruimte,” stelt hij. “Zeker in een dichtbevolkt land als Nederland bepaalt de omgeving uiteindelijk of iets uitvoerbaar is. Dat vraagt om vroegtijdige afwegingen, niet om oplossingen achteraf.”
Voor datacenters betekent dit volgens Karimian dat positionering geen sluitstuk mag zijn. “Je moet veel eerder met overheden en netbeheerders om tafel,” zegt hij. “Alleen dan kun je landen op plekken waar de kans op transportcapaciteit het grootst is.” Aanvullend wijst Van Vrede op operationele randvoorwaarden die in beleidsdiscussies vaak onderbelicht blijven. “Geografische spreiding, connectiviteit en beschikbaar personeel zijn net zo bepalend voor de haalbaarheid van een locatie als energie.”
De discussie eindigt bij onderwijs en arbeidsmarkt. Leerdam vraagt hoe die randvoorwaarden structureel kunnen worden geborgd; Stevens geeft aan dat de samenwerking met onderwijsinstellingen al actief wordt gezocht. “Zonder mensen geen groei,” zegt hij. Daarmee wordt duidelijk dat de toekomst van datacenters niet alleen wordt bepaald door megawatts en vierkante meters, maar door de mate waarin beleid, sector en samenleving erin slagen om energie, ruimte, kennis en mensen met elkaar te verbinden.
Die verbinding blijft niet beperkt tot intenties. Stevens pleit ervoor om de dialoog concreet te maken, bijvoorbeeld door samen met Enexis en het Koning Willem I College educatie rond netcongestie op te zetten en technische concepten zoals ijsbatterijen verder uit te werken in een meer theoretische en praktische opzet. Het gesprek moet volgens hem niet eindigen bij analyse, maar leiden tot experiment en kennisdeling. “Laten we over een half jaar opnieuw aan tafel gaan en kijken waar we dan staan,” suggereert hij. Daarmee krijgt de bijeenkomst niet alleen het karakter van een reflectie op de huidige stand van zaken, maar ook van een startpunt voor een gezamenlijk leerproces. De vraag hoe datacenters zich verhouden tot energie, ruimte en maatschappij blijft daarmee nadrukkelijk open, niet als probleemstelling, maar als uitnodiging tot vervolg.